IMG_20191026_154310 (2)

Alles stroomt, maar niet alles verandert.

Alles stroomt. Niet alles verandert. Zoals het oergevoel van vriendschap.

Hoe het precies kwam, weet ik niet, maar ineens zijn we aan het appen, mijn vriendin Cora en ik.  Cora en ik zijn nooit geen vriendinnen geweest, dus dat we ineens appen, lijkt in 2019 niet echt bijzonder. Behalve dat we elkaar al zevenentwintig jaar niet gezien hebben.  Het is weer als vanouds,  in de app.  Er zijn wat dingetjes gebeurd, de afgelopen 27 jaar (oja, ik heb borstkanker gehad (zij) oja, ik ben gescheiden en daarna weduwe geworden (ik) ), toch ga je al append al gauw weer over op de orde van de dag.  Dat we kinderen hebben die inmiddels net zou oud zijn als wij toen, weten we op één op andere manier.

We spreken af in Amersfoort, daar waar het allemaal begon. De locatie is aan de overkant van het water, tegenover ons vroegere huisje, dat inmiddels weg gebulldozerd blijkt te zijn. Alles is trouwens weg gebulldozerd en herbouwd in die 27 jaar, ons straatje met kleine in elkaar zakkende arbeidershuisjes, vol met studenten. Je kwam de hele dag bij elkaar over de vloer, soms via het dak, soms via de achterdeur. Weg. Alleen de eeuwenoude Koppelpoort staat er nog.

Het is een mooie zonnige herfstdag. De zon hangt herfstig laag en er is die warme beloken atmosfeer die je alleen in de herfst ruikt. Zo’n dag waarvan je extra geniet, omdat je weet dat dit voorlopig niet meer zal gebeuren. Dat de herfststormen zullen komen, de kou en de regen. Dat is het grote verschil met een mooie dag in de herfst en een mooie dag in de een beginnende lente. In de herfst beleef je hem als je laatste uur. In de lente weet je dat dit de eerste is van lange reeks.

Op die zonnige herfstdag zit Cora te wachten bij het watervalletje bij de oude Koppelpoort.  Vroeger zaten we daar ook vaak, onze benen over de rand, een fles wijn ernaast. “Dat je geen Gloriawijn van twee gulden vijf en zestig bij je hebt” begroet ik.  Ze draait zich om. Het weerzien is verwarmend, we staan vijf volle minuten in een Zenhug met op de achtergrond het geklater van het watervalletje.  “Geen Gloriawijn maar ik heb wel brandnetelthee meegenomen,” zegt Cora. Ze haalt de thee tevoorschijn, ik ken dat doosje uit duizend. Liters per dag dronken we van die brandnetelthee. Het was ergens heel erg goed voor, we weten niet meer waarvoor. Tegen katers en de rest, waarschijnlijk.  Nu ik dit stukje tik, drink ik Cora’s brandnetelthee. Het is niet te zuipen, maar dat was toen ook al zo, en we dronken toen kranig door.  Je moet er even doorheen, merk ik op dit moment. Na slok drie denk je:  het is eigenlijk heel erg o.k. de brandnetelthee. Alsof je smaakpapillen  even moeten verschikken.

In het restaurantje drinken we een hippe fusionthee die in die tijd überhaupt nog niet bestond. We zeuren tegen de ober dat de muziek zachter moet, we kunnen elkaar niet eens verstaan. Zeurden we toen ook al?  Volgens mij wel, zeuren, ervaren, keten en studeren, dat deden we. De één keette iets meer dan de ander. Cora was een gematigde keter, ik een zware. We nemen een slok, We zijn niet eens eindeloos herinneringen aan het ophalen, maar we praten vooral over nu. Over het leven, de liefde, de kinderen.  Wij zijn niet veranderd, het leven is veranderd. Het is goed, na zevenentwintig jaar. Leuk, en vrolijk, net als toen. We zijn gewoon weer aangehaakt.

We besluiten aan het eind van de middag toch nog even langs het braakliggende terrein van ons oude huisje te lopen.  Wilde feesten gaven we er.  We bouwden kampvuren achter in de tuin, en dan speelden we gitaar en zongen liederen. Er liep een peuter rond een  ‘Koppelkind’, genoemd naar ons straatje ‘De Kleine Koppel’. Eén van de studenten was als tiener in de vaart der volkeren zwanger geworden. De vader was pleiten, maar zij had besloten om en het kind te laten houden, volgens plan te gaan studeren, volgens plan op kamers te gaan.  Niets of of, maar en en.  Wij hielpen haar een beetje met het kind. Verder had niemand er last van, het was een lieve peuter.  “Wat een verantwoordelijkheid,” zeggen Cora en ik nu “Hoe deed ze dat met middagslaapjes van de peuter?  Hoe puzzelde ze dat allemaal, met haar studie?  Ze was nog maar negentien!”  Cora weet nog meer, ze had het Koppelkind pas gezien, een leuke vrouw van ongeveer dertig. Bizar.

Er staat niets nieuws op de plek waar ons straatje met studentenhuisjes stonden. Het stukje grond ligt braak, terwijl de rest bebouwd is. “Misschien is de grond vergiftigd,” oppert Cora. Het zou ons niets verbazen. De aanpalende fabriek stootte regelmatig groene dampen uit. Deden we de ramen gauw weer dicht, vanwege de chemische stank. Soms braken er spontaan brandjes uit. En wij feestten gewoon door.

Zo staan we daar, arm in arm, te kijken naar het braakliggende stuk grond waar ons huis stond.  Achter ons stroomt zacht het water van de Eem.  De zon op ons gezicht. Er rijdt een Vespa achter ons langs. Verder is het stil.

 

info: jurk, king lois




There are no comments

Add yours