WhatsApp Image 2020-06-27 at 12.31.17 (2)

Hoe je kunt zwemmen in de Kromme Rijn (en waar je dat vooral niét moet doen)

 

Dat was geen goed idee, zomaar het water inspringen in stadsrivier De Kromme Rijn. Mijn hele lijf zit onder de krassen. 

Ik woon aan rivier de Kromme Rijn. Een klein eindje verder dan mijn huis, vertakt hij in de Catharijnesingel en de Oude- en Nieuwe Gracht. De Kromme Rijn is schoon, dat is het punt niet. En  beter in een rivier zwemmen dan in het zwembad, waar je op zijn best file moet zwemmen en waar het nu sowieso niet meer is wat het was, vanwege diverse coronamaatregelen die nog na-ebben.  Waarom niet gewoon in de rivier, dacht ik?

Afgelopen week. Ik ben de enige die daar in het stadsgedruis in bikini aan het water staat. Aan de overkant bussen, auto’s en verkeer.  Aan mijn oeverzijde een tringende postbode (ze zijn er nog ) en een paar wandelaars. De vraag is: hoe hoog is die oever? Kan ik er nog wel op klimmen als ik terug kom?

Ik kan hier niet eeuwig blijven staan, het is sowieso al een beetje gênant. Er wordt getoeterd door de auto’s aan de overkant.  Ik kan niet inschatten of ik nog op de oever kan klimmen, ik weet ook niet hoe diep het is. Maar je moet een beetje risico’s nemen in het leven. Plons, hup. Ik spring het water in.

Het water is heerlijk en warm. Er staat een flinke stroming. Het zwembad kan hier absoluut niet tegenop.  Ik ben een zwemmer, stoempend tegen de stroom in. Het voelt aards. Jammer dat je zoveel bekijks trekt, als je zo langs de huizen zwemt. En jammer dat niemand dit doet. De plezierbootjes en kano’s moet je ook in de gaten houden.  Maar dat gaat allemaal prima. Bij de brugpeiler keer ik maar weer eens om. Terug met de stroom mee is het weldadig. Met één slag kom je vijf meter vooruit. Ik ben weer bij mijn hoopje kleding.  Nu alleen nog even de wal op.

Ja –  en dat gaat dus niet.  De kant is hartstikke hoog, en de rivier diep.  Je hebt geen grond om je op af te zetten.  Je moet als een soort Olympische waterpolo’er de kracht uit je bovenarmen halen. Ik betwijfel zelfs of die Olympiërs het zouden kunnen. Kortom: ik ga die wal niet opkomen.  “Je moet wat risico’s nemen in het leven,” dacht ik toen ik daarnet het water insprong. Dat klopt, maar dat betekent dus ook dat het risico soms verkeerd uitpakt. Zoals nu. Ik kan hier toch niet tot in aller eeuwen eeuwigheid blijven zwemmen, omdat ik de oever niet opkom, totdat iemand me redt (of niet)?  Ik moet toch niet sterven in de Kromme Rijn?

Ik zwem in arren moede dat ganse stuk weer terug tegen de stroom in en verder, omdat ik me herinner dat een eind verderop de wal lager is. Dat blijkt inderdaad te kloppen, en er staat ook een rood-witte paal. Het is overigens nog steeds behoorlijk hoog, maar ik bedenk dat dit gewoon moet.  Ik moet eruit.  Ik ben aan het eind van mijn krachten. Na een gigantische krachttoer hijs ik mezelf uit het water op de kant. Ik wist niet dat ik het in me had, die kracht, maar met de verdrinkingsdood als alternatief, kun je blijkbaar veel. Mijn benen en buik zitten vol bloedende schrammen. Alles onder de modder. Ik weet nog een jurk over mijn zompige modderlijf te trekken en strompel naar huis. Doodmoe, dat ook nog eens, twee keer een takkeneind tegen de stroom inzwemmen zit me letterlijk niet in de koude kleren.

Inmiddels heb ik een goede zwemplek ontdekt. Het is een eind gaans, buiten de bebouwde kom, je moet er eerst een wandeling voor maken. Maar daar is niemand, alleen wat eendjes en vogeltjes. Je loopt zo het water in. En dan heb je alleen maar voordelen. Stilte, rust, stroming. Zwemmen in de natuur kan dus wel, je moet alleen de goede plek vinden.

lees ook http://www.jurkenvanmaria.nl/van-de-meeuw-de-bever-en-blokkeerbejaarden/

 

foto: Bart Leenders 




There are no comments

Add yours