DSC_8552

Over paranoia, flash-backs en Coronafashion

Blazer verkrijgbaar bij Livstores, Twijnstraat 41 Utrecht. Gewoon open.  Van D’etoiles cassiopé, je kunt hem wassen in de wasmachine en nog blijft hij mooi. Het is eigenlijk een ‘robe manteau’, je kunt hem ook als jurk dragen. Deze blazer is duurzaam geproduceerd, er is een bijpassende broek bij en hij is er ook in een korte variant. 

 

Midden in de nacht. Zoon en dochter liggen rustig te slapen. Thuis is ons veilige hol, in deze Kafkaiaanse Coronatijd. Ik kuch, slapend. En kuch nog eens, half dromend. Ik word er wakker van. Meteen zit ik rechtop in bed. Ik kuchte! Ik ben door het coronavirus besprongen! Ook ik! Ik ben meteen klaar wakker. Lamp aan, thee halen. Het is drie uur in de nacht. Ik kuch nog één keer, dan is het klaar. Maar paniekerig rolt zich een privérampenscenario af.  De kids zullen het krijgen. We moeten viruswerende pakken aan. In quarantaine. Bloed ophoesten.  Alle vrienden en familie en de rest inlichten, ook als ik alleen digitaal contact heb gehad, maakt niet uit, dit virus springt zelfs via de satelliet of via aliens.

En dat terwijl ik overdag zo nuchter ben. Ik houd me keurig aan de overheidsregels, mijn ouders van in de 80 indachtig. Heimweegevoel zodra ik naar buiten ga. Die lege straten. Nergens mensen, nergens gelach of gepraat, de terrassen zijn leeg. Vroeger, lang lang geleden toen je nog geen corona had, hoorde je veel mensen lachen. Ik realiseer me dat nu pas. Liep je over het Ledig Erf, waar de terrassen volzaten, dan hoorde je gelach en opgewekt gepraat.  Er zwaaide iemand die je kende. Een bus toeterde. Ik mis het intens, het stadse leven, de Vrolijkheid der Mensen.

Er wordt aangebeld. “Meneer, mijn bal ligt op het dak!” roept een klein buurjongetje tegen Zoon van 19. Die zin: ‘mijn bal ligt op het dak’  brengt me in één klap terug naar de jaren ’70, toen je hele middagen met de buurkinderen op straat speelde. Grenswachtertje, verstoppertje, kettingtikkertje. Het zinnetje zet wat aan. Je rent weer buiten, met je bal onder de arm, twee vlechtjes heen en weer zwiepend. Het is niet eens nostalgie. “Wie doet er mee met buskruit!” roep je als een soort marktverkoper een paar keer. En als vanzelf verzamelen zich kinderen en ben je aan het buskruiten…  Als de coronaplaag over is gewaaid gaan de kinderen hier weer naar de kinderopvang.  Het zal weer stil worden in de straten. De zin “Meneer, mijn bal ligt op het dak!” was historisch.

Ik blijf binnen vanwege dat al dan niet hypochondrische kuchje vannacht. Maar straks, als iedereen weg is, zal ik schichtig het huis verlaten en langs het jaagpad wandelen, als de maan over de Kromme Rijn schijnt. Mijn hoofd gebogen, spiedend of ik iemand zie, want ik mag geen sociaal contact. Maar ik zal niemand tegen komen. Iedereen zal binnen zijn, behalve Corona en ik, lopend onder de sterren.

 




There are no comments

Add yours