Voor mijn opleiding tot publiekstheoloog en geestelijk verzorger (VU) ben ik op ecoretraite op Ameland.
Tegen de wind in stoemp ik opnieuw de andere kant op, door de duinen van Ameland terug naar mijn huisje. Links van me de Noordzee, om me heen duinen, dieren, en veel wind. Over die dieren, ik zie ze niet, maar ik merk dat ze er zijn. Hoe? Dat weet ik niet. Ik heb het idee dat ik gezien wordt. Ik zie ook overblijfsels, keutels, soms verse. Ze zíjn ergens, hier om me heen. Maar hoe ik ook speur, ik zie ze niet.
Ik fiets ondertussen alsof de duivel me op de hielen zit, want het dreigt donker te worden. Eerder ben ik ook al in de nacht gaan fietsen in de duinen, zoals ik schreef. Spannend, zeker, maar niet voor herhaling vatbaar. Donker is op Ameland écht donker. Je hebt zicht van nog geen meter, dat van je fietslamp. Je moet niet ergens in je eentje in het stikdonker in het duingebied verdwalen, dat duingebied is groot. Ik ben nu pas halverwege en het wordt snel donker. Fietsen, fietsen, fietsen om het duister voor te zijn.
De schemering valt in. En dan gebeurt het. Daar zijn ze! Overal springen konijntjes tevoorschijn. Een ree springt uit de struiken. Een dier dat ik niet kan thuisbrengen rent naar de overkant van het fietspaadje. Ik zie in de verte een vos rennen. Waar zaten ze al die tijd? Ik voelde ze, maar ik kon ze nergens zien. De lucht kleurt roze, alles heeft een andere kleur. En overal dieren om me heen. Op de achtergrond het geluid van de zee. Ik voel me één met alles, ik voel dat ik hier hoor, hier op deze aarde.
Ik sprak in mijn vorige stukjes over de Anderen (dieren, planten) en de Onzen (mensen). Maar ik stel dat bij. Ik voel geen Anderen meer. We zijn één groot WIJ. Wat is de schemering magisch.



