IMG_20220731_175316-01

Slapen in een spookhuis

 We hebben vannacht in een echt spookhuis geslapen. Toch ben ik helemaal uitgerust.

In Cinqueterre hadden we een slaapplek gevonden. De omschrijving was minimaal.  De dorpjes van Cinqueterre zijn tegen de berg gebouwd. Hoog op een berg is een ramp met een koffer vol jurken. Het zijn allemaal smalle trapjes in stegen, heel romantisch, maar met koffers die berg op terwijl je normaliter het loopje naar de brievenbus al een workout vindt, bewaar me. In de omschrijving stond:  500 meter van het station. 

Helemaal bovenin het dorpje Riomaggiore staat een kasteelruïne. Vanaf daar konden de ridders uitzien over de wijde zee en de vallei. Ik kom met mijn jurkenkoffer aangezeuld en meld me aan bij het hotel. Het valt nog mee. Het is inderdaad zo’n vijfhonderd meter van het station. We checken in. “Ik loop even met jullie mee,” zegt een hertachtige jongen die Tobia heet. “Het appartement is daar.” Hij wijst naar de ruïne. Mijn koffer heeft een capaciteit van 120 liter en die capaciteit is volledig benut. We moeten die complete berg op! 

Hijgend als een stoompaard komen we aan bij ons prachtige huis. We moeten een woonkamer delen met andere mensen die er nog niet zijn. Wij krijgen de kamer rechts, de goedkoopste. De kamer heeft een rood, hoerig bed en een soort hemel die niet dicht kan. En luiken. Dacht ik. Maar de luiken blijken uit te komen op een blinde muur. Als ik op het bed ga liggen voel ik vanalles, maar vooral: ik moet hier weg. Ik krijg beelden van een gevangenis voor me, liggend op dat rode hoerenbed. Als iemand het licht uit zal doen, en dat kan alleen van buiten, is het stikdonker.  Ik moet zo snel mogelijk weg uit deze afwerkcel. Ik bel de eigenaar en zeg dat ik claustrofobische neigingen krijg in de kamer. Ik wist ook niet dat ik het had, soms kom je laat achter dingen. Hij geeft ons de andere kamer, een hele mooie, met uitzicht over de zee. 

Hier kunnen we wel aan wennen, besluiten we als we onder de pergola over de zee kijken. We plukken een druif. Een uur later komt de hertenjongen terug met een hijgend dik Amerikaans meisje uit Seattle. “I don’t take this room,” zegt ze na een korte blik naar binnen. “Bad vibes.”  Tenslotte komt er een frans stel, die de kamer prima lijkt te vinden. “Gelukkig,” zucht het hertenjong, “altijd gezeik met dit huis.” En tevreden springt hij van de berg af. Iedereen blij. 

Totdat. ’s Avonds half twaalf wordt er op onze slaapkamerdeur geklopt. “C’est Hélène,” hoor ik een bescheiden stem, “Vind je het goed als ik vannacht in de woonkamer slaap? Er is iets mis met onze kamer.” Natuurlijk vind ik dat prima, ik lig hier prinsheerlijk met uitzicht op de zee, ventilatortje aan, mooie schaars geklede man rechts van me, mij hoor je niet. Ga jij maar in de woonkamer slapen, Hélene, in plaats van dat behekste hol met het hoerenbed, mijn zegen heb je. En ik draai me glimlachend om. 

12:00 uur. Uit het niets beginnen de deuren te klapperen. Boven ons klinkt gestommel, terwijl er geen bovenverdieping is. ” Hoor je dat?”  vraag ik de reisgenoot. Ja, zegt hij, en hij vindt het raar, want “er is geen luchtdrukverplaatsing.” Geesten. Denk je dat je alles gehad hebt. Moet ik nu gaan bidden of liedjes uit het liedboek gaan zingen ofzo?  Ik voel geen angst, alleen irritatie, want het gebonk is zo hard, dat je er niet van kunt slapen. Als dit geesten zijn, vind ik het enorme klootzakken. Dan bedenk ik me dat het geklapper van de deur op gezette tijden is. Ik klok af, en het is precies op het moment dat de trein onder de tunnel doorgaat. We leggen een kussen tussen de deur en slapen die nacht prima. Het gestommel boven terwijl er geen boven is en de bad vibes van de hoerenkamer kunnen we nog niet verklaren. 

Vanochtend zaten we te ontbijten. Koffietje, we hoorden de zee en op de achtergrond krekels. Onder ons de andere huizen, gebouwd op de berg. Een oude dame hangt de was op. Dit was een raar maar prachtig huis.




There are no comments

Add yours